Onder de boom (verhaal)

De blaadjes filteren het zonlicht dat in gebroken stralen op haar bruinverbrande benen schijnt. Ze volgt de stofjes die dansen in het licht met haar vingers. Ongrijpbaar. Haar slippers liggen naast het bankje in het hoge gras. Ze leunt achterover en slaat haar armen om haar benen.

 

“Vandaag was weer zo’n stomme dag, mam. Anne zou haar geschiedenisboek meenemen zodat ik het niet mee hoefde te slepen, maar ze was het vergeten. En toen kreeg ik op m’n kop van de leraar en niet zij. Terwijl het haar schuld was! Ik was echt boos.”

 

Ze plukt een madeliefje en begint de bloemblaadjes er een voor een uit te trekken.

 

“En Jarno heeft me vandaag niet aangekeken. Ik ben twee keer langs hem gelopen naar m’n kluisje. Hij staat altijd in het hoekje, weet je wel, bij de kluisjes van de bovenbouw. Maar hij keek niet. Dus. Dus ik denk dat hij me toch niet leuk vindt.”

 

De witte bloemblaadjes dwarrelen langzaam naar beneden. Ze draait het steeltje met het kale gele kopje tussen haar duim en wijsvinger. Rond en rond en rond.

 

“En toen had ik ook nog een lekke band. Gelukkig wilde de conciërge die wel voor me plakken. Hij vindt me denk ik een beetje zielig.”

 

Een oude man komt aan schuifelen over het pad en blijft leunend op zijn wandelstok staan bij een van de graven. De vrolijke bos veldbloemen die hij erop legt steekt fel af tegen het glanzende zwart. Hij prevelt wat woorden en wrijft met zijn zakdoek over zijn ogen. Dan valt zijn blik op haar. Ze glimlacht.

 

“Hallo.” Zijn stem klinkt harder dan ze had verwacht. Brommerig, maar een vriendelijke brom. Als een teddybeer. 

 

De man neemt aarzelend een paar stappen in haar richting. Hij kijkt naar het graf waar ze tegenover zit, onder de boom. Het is wat ze allemaal doen op de begraafplaats. Ze gluren naar de naam, ontcijferen wat de relatie moet zijn tussen de rouwende en de overledene. Maar bovenal gluren ze naar de datum. De geboortedatum. De sterfdatum. Een snel rekensommetje bepaalt of de tranen van de rouwende gerechtvaardigd zijn. Of hun verlies in de rangorde van verdriet boven of onder het eigen verdriet staat.

 

Hier rust onze liefhebbende vrouw en moeder

Marlène van der Voet

25 september 1975 — 12 december 2016

 

De man kijkt van de steen naar haar en weer terug.

 

“Mijn moeder.”

 

De man knikt zwijgend. Hij leunt op zijn wandelstok.

 

“Mijn vrouw.” Hij geeft een kort rukje met zijn hoofd. Ze kijkt naar het goed onderhouden graf, waar de bloemen al liggen te verleppen in de warme juli zon.

 

“Hoe oud was ze?”

 

“Zesenzeventig. Ze is twee jaar geleden overleden.”

 

“Oh.”

 

“Een hersenbloeding. Ze was ineens weg. Is eigenlijk niet meer bijgekomen.” De man schuifelt wat dichter naar haar toe, in de schaduw van de boom. Hij wist het zweet van zijn voorhoofd met zijn zakdoek.

 

“Ze heeft gelukkig niet geleden.” Er klinkt berusting in zijn stem.

 

“Mijn moeder heeft een auto-ongeluk gehad.”

 

“Ach.”

 

Het is stil op de begraafplaats. De vogels die hun gezang normaal luidkeels laten horen, zwijgen. De hitte zindert over de paden, een sterk contrast met het koude verdriet dat in haar lijf huist.

 

“Wilt u zitten?” Ze klopt uitnodigend naast haar op het bankje.

 

De oude man gaat langzaam zitten. Hij laat zijn handen rusten op zijn wandelstok, die tussen zijn benen staat. Vanuit haar ooghoeken bestudeert ze hem. De haren die uit zijn oor groeien. De levervlekken op zijn wang. De kraaienpootjes. De lachrimpels om zijn mondhoek. Het verlies van zijn vrouw heeft geen zichtbare sporen nagelaten. Gewoon een oude man, die een goed leven heeft gehad. Ze zucht even en trekt haar knieën wat hoger op.

 

“Dat moet moeilijk zijn geweest, om je moeder zo onverwachts te verliezen. En zo jong.”

 

Ze knikt. “Ik was tien.”

 

"Hm." De man knikt en staart voor zich uit. Hij pakt een rol Fruitella uit zijn zak en biedt haar een snoepje aan. Ze stopt een roze in haar mond. Aardbei. Haar lievelingssmaak. Ze kauwen zwijgend.

 

“Kom je hier vaak?” vraagt de man tenslotte.

 

“Ik kom hier elke dag. Mijn moeder was mijn beste vriendin, ik kon haar altijd alles vertellen. Ze was zo lief voor me. Knuffelde me heel veel en zong liedjes. Ze ging altijd mee naar mijn turnwedstrijden. Ze hield heel veel van me, hoor.”

 

“Oh, dat geloof ik direct.”

 

“Ik vertel haar nog steeds alles. Elke dag. Ze hoort me. Dat weet ik zeker. Want ze houdt heel veel van mij.”

 

De man glimlacht en richt zijn gezicht op naar de strakblauwe lucht. Hij sluit zijn ogen en zucht diep.

“Ik denk ook dat ze ons horen. Ik denk dat ze bovenop een wolk zitten en naar ons kijken. Zou het niet? Zelfs als er geen wolken zijn.”

 

Hij lacht even. Ongemerkt heeft ze haar lange mouwen opgestroopt. Een felle zonnestraal die door het bladerdak glinstert, weerkaatst op haar melkwitte huid, waarop de blauwe plekken donker afsteken. Ze krabt gedachteloos aan de langwerpige korstjes op de binnenkant van haar pols. Als ze zijn blik voelt, trekt ze haar mouwen snel over haar handen heen.

 

Ze staat op en stapt in haar slippers. Ze gooit haar tas over haar schouder.

 

“Ik moet naar huis.”

 

De oude man knikt.

 

“Wel thuis.”

 

“Dag.”

 

Ze loopt de begraafplaats af, en blijft even stilstaan bij het graf van zijn vrouw. Uit haar tas klinkt One Direction. Ze pakt haar mobieltje en kijkt op de display. Mama. Het is kwart over vijf. O nee. O nee. Ze neemt op.

 

“Hoi mam. Nee, niet gelijk schreeuwen. Ik ben bijna thuis. Sorry. Ja, sorry. Sorry, mama. Mama. Ik kom... mama. Mama?” Ze hoort de ingesprektoon. De kou in haar lijf breidt zich uit naar haar vingers, die trillend de telefoon terug stoppen.

 

Hij kijkt het jonge meisje na, dat met gebogen hoofd ineengedoken de begraafplaats afsnelt. Als hij wil opstaan, raakt zijn sandaal iets in het gras. Moeizaam bukt hij zich en raapt het op. Op het witte pasje van het Calland College staat een foto van het arme kind, dat zo haastig wegging toen ze doorhad dat hij haar armen zag. Hij wil haar naroepen, als zijn oog valt op haar naam. Eline Broekman.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.